Ga naar hoofdinhoud

De 1689 Baptisten Geloofsbelijdenis

De Tweede Londense Baptisten Geloofsbelijdenis, opgesteld in 1677 en gepubliceerd in 1689, is een veelgebruikte historische belijdenis onder Gereformeerde Baptisten wereldwijd.

Historische achtergrond

De Tweede Londense Baptisten Geloofsbelijdenis werd in 1677 opgesteld door Particular Baptists in Engeland, tijdens een periode van vervolging. Het document werd openlijk gepubliceerd na de Glorious Revolution in 1689, toen godsdienstvrijheid werd verleend.

De belijdenis is grotendeels gebaseerd op de Westminster Confessie (1646) en de Savoy Declaratie (1658), aangepast waar nodig voor baptistische overtuigingen betreffende de doop en de gemeente. Dit benadrukt de eenheid van Gereformeerde Baptisten met het bredere gereformeerde christendom.

Let op

Deze belijdenis wordt door veel gereformeerde baptistengemeenten in Nederland gebruikt, maar niet alle gemeenten die op deze website vermeld staan hanteren de 1689 Belijdenis. Elke gemeente heeft haar eigen confessionele grondslag. Raadpleeg de individuele gemeentepagina's voor specifieke informatie over welke belijdenis een gemeente hanteert.

Inhoudsopgave

1

De Heilige Schrift

1. De Heilige Schrift is de enige voldoende, zekere en onfeilbare regel van alle reddende kennis, geloof en gehoorzaamheid.

2. De boeken van het Oude en Nieuwe Testament zijn door God geïnspireerd en zijn de regel voor geloof en leven.

3. De Schrift heeft haar gezag niet van enige mens of kerk, maar geheel van God, de Auteur ervan.

2

God en de Heilige Drie-eenheid

1. De Heere onze God is de enige levende en ware God, oneindig in Zijn wezen en volmaaktheden.

2. God heeft alle leven, heerlijkheid, goedheid en zaligheid in en uit Zichzelf; Hij alleen is algenoegzaam.

3. In dit goddelijk en oneindige Wezen zijn drie Personen: de Vader, het Woord of de Zoon, en de Heilige Geest.

3

Gods eeuwig besluit

1. God heeft van eeuwigheid af, door de raad van Zijn wil, vrijelijk en onveranderlijk alle dingen verordineerd die geschieden.

2. God heeft door Zijn besluit sommige mensen en engelen tot het eeuwige leven voorverordineerd, en anderen overgelaten om voor hun zonde rechtvaardig veroordeeld te worden.

3. De leer van deze hoge verborgenheid van de predestinatie moet met bijzondere wijsheid en voorzichtigheid behandeld worden.

4

De schepping

1. In den beginne heeft het God de Vader, Zoon en Heilige Geest behaagd, tot openbaring van de heerlijkheid van Zijn eeuwige kracht, wijsheid en goedheid, de wereld en alle dingen daarin te scheppen.

2. Nadat God alle andere schepselen gemaakt had, schiep Hij de mens, mannelijk en vrouwelijk, met redelijke en onsterfelijke zielen.

5

De goddelijke voorzienigheid

1. God onderhoudt, leidt, beschikt en regeert alle schepselen en alle dingen, van de grootste tot de kleinste, door Zijn wijze en heilige voorzienigheid.

2. God is de eerste oorzaak en alle dingen geschieden onveranderlijk en onfeilbaar naar Zijn voorkennis en besluit.

3. God gebruikt in Zijn voorzienigheid gewone middelen, maar is vrij om zonder, boven of tegen deze middelen te werken naar Zijn welbehagen.

6

De val, de zonde en de straf

1. God schiep de mens oprecht en volmaakt, maar door de verleiding van satan overtrad de mens Gods gebod door te eten van de verboden vrucht.

2. Door deze zonde vielen onze eerste ouders uit hun oorspronkelijke gerechtigheid en gemeenschap met God, en werden dood in de zonde.

3. Aangezien Adam de wortel en het federale hoofd van het menselijk geslacht was, werd de schuld van deze zonde aan al zijn nakomelingen toegerekend.

7

Gods verbond

1. Het verschil tussen God en het schepsel is zo groot, dat de redelijke schepselen Hem nooit enige zaligheid als beloning verschuldigd zouden kunnen zijn, tenzij door vrijwillige neerbuiging van Gods zijde.

2. Bovendien heeft de mens, door zichzelf door de zonde onder Gods vloek gebracht hebbende, geen weg tot het leven behalve door het verbond van genade.

3. Dit verbond van genade wordt geopenbaard in het evangelie, eerst aan Adam in de belofte van verlossing door het zaad van de vrouw.

8

Christus de Middelaar

1. Het behaagde God om in Zijn eeuwig voornemen de Heere Jezus, Zijn eniggeboren Zoon, te verkiezen en aan te stellen als de Middelaar tussen God en de mens.

2. De Zoon van God, de tweede Persoon in de Drieëenheid, nam de menselijke natuur aan in de schoot van de maagd Maria, door de kracht van de Heilige Geest.

3. De Heere Jezus heeft door Zijn volmaakte gehoorzaamheid en offerande van Zichzelf aan de Vader eens voor altijd de gerechtigheid teweeggebracht en eeuwige verlossing verworven voor allen die de Vader Hem gegeven heeft.

9

De vrije wil

1. God heeft de wil van de mens begiftigd met een natuurlijke vrijheid en macht om te handelen naar keuze, die niet gedwongen of bepaald wordt door enige natuurlijke noodzakelijkheid.

2. De mens in zijn staat van onschuld had vrijheid en macht om te willen en te doen wat God welbehaaglijk en goed is, maar was ook veranderlijk zodat hij ervan kon afvallen.

3. De mens heeft door zijn val in een staat van zonde geheel het vermogen verloren om enig geestelijk goed te willen dat met zaligheid gepaard gaat.

10

De effectieve roeping

1. Hen die God tot het leven heeft voorverordineerd, heeft Hij ook behaagd om effectief te roepen door Zijn Woord en Geest, op de door Hem bestemde tijd.

2. Deze effectieve roeping is alleen uit Gods vrije en bijzondere genade, niet uit iets dat voorzien is in de mens.

3. Uitverkoren zuigelingen die in hun kinderjaren sterven, worden door Christus wedergeboren en zalig gemaakt door de Geest, die werkt wanneer, waar en hoe Hij wil.

11

De rechtvaardiging

1. Hen die God effectief roept, rechtvaardigt Hij ook vrijelijk. Hij doet dit niet door gerechtigheid in hen te storten, maar door hun zonden te vergeven en hun personen als rechtvaardig te beschouwen en aan te nemen.

2. Het geloof dat Christus en Zijn gerechtigheid ontvangt en daarop steunt, is het enige instrument van rechtvaardiging.

3. Christus heeft door Zijn gehoorzaamheid en dood de schuld van allen die gerechtvaardigd zijn volledig voldaan en een eigenlijke, werkelijke en volle voldoening aan Gods gerechtigheid gebracht.

12

De aanneming tot kinderen

1. Aan allen die gerechtvaardigd zijn, geeft God in en om Christus' wil deel aan de genade van aanneming tot kinderen, waardoor zij worden opgenomen in het getal van Gods kinderen en genieten van de vrijheden en voorrechten daarvan.

13

De heiligmaking

1. Zij die effectief geroepen en wedergeboren zijn, hebben ook een nieuw hart en een nieuwe geest in hen geschapen, en worden verder geheiligd door de kracht van Christus' dood en opstanding, door Zijn Woord en Geest die in hen woont.

2. Deze heiligmaking is door en door, in de gehele mens, maar is in dit leven onvolmaakt; er blijven nog overblijfselen van verdorvenheid in elk deel.

3. De overheersende kracht van het overblijvende lichaam der zonde, en de kracht van de heiligende Geest, veroorzaken in de wedergeborenen een voortdurende en onverzoenlijke strijd.

14

Het zaligmakend geloof

1. De genade van het geloof, waardoor de uitverkorenen in staat worden gesteld te geloven tot zaligheid van hun zielen, is het werk van de Geest van Christus in hun harten.

2. Door dit geloof gelooft een christen al wat geopenbaard is in het Woord waar te zijn, en handelt dienovereenkomstig naargelang de aard van wat elk bijzonder gedeelte daarvan bevat.

3. Dit geloof is verschillend in graden, en kan zwak of sterk zijn, maar het overwint uiteindelijk en groeit in velen op tot de verkrijging van volle zekerheid door Christus.

15

Bekering ten leven

1. Bekering ten leven is een evangelische genade, die gepredikt moet worden door elke dienaar van het evangelie, evenals het geloof in Christus.

2. Door bekering komt een zondaar, getroffen door het zien en voelen van het gevaar en de verdoemelijkheid van zijn zonden, en van Gods vloek over hen, met verdriet en haat over zijn zonden tot Christus.

16

Goede werken

1. Goede werken zijn alleen die werken die God in Zijn heilig Woord heeft geboden, en niet zulke die zonder die autoriteit door mensen zijn verzonnen uit blinde ijver of onder enig voorwendsel van goede bedoeling.

2. Deze goede werken, gedaan in gehoorzaamheid aan Gods geboden, zijn de vruchten en bewijzen van een waar en levend geloof.

3. Gelovigen zijn niet in staat om ook maar de minste van Gods geboden door hun goede werken te verdienen; er blijft altijd een groot verschil tussen de glorie die God toekomt en de beste van onze werken.

17

De volharding der heiligen

1. Zij die God in Zijn geliefde Zoon heeft aangenomen en effectief geroepen en geheiligd door Zijn Geest, kunnen nooit geheel noch uiteindelijk uit de staat der genade vallen, maar zullen zeker volharden tot het einde en eeuwig zalig worden.

2. Deze volharding hangt niet af van hun vrije wil, maar van de onveranderlijkheid van het besluit der verkiezing, het voortdurend pleiten van Christus, en de zaligmakende werking van de Geest.

18

De zekerheid van genade en zaligheid

1. Tijdelijke gelovigen en andere onwedergeborenen kunnen zichzelf ijdel en bedrieglijk troosten met valse hoop en vleselijke vermetelheid.

2. Maar zij die waarlijk in de Heere Jezus geloven, en Hem liefhebben in oprechtheid, kunnen in dit leven verzekerd zijn dat zij in de staat der genade zijn.

3. Deze onfeilbare zekerheid behoort niet zo tot het wezen van het geloof, dat een ware gelovige lang moet wachten of met vele moeilijkheden moet worstelen voordat hij eraan kan deelhebben.

19

De wet van God

1. God gaf aan Adam een wet als een verbond der werken, waardoor Hij hem en al zijn nakomelingen verplichtte tot persoonlijke, volledige, volmaakte en voortdurende gehoorzaamheid.

2. Dezelfde wet die eerst in het hart van de mens was geschreven, werd ook gegeven op de berg Sinaï in tien geboden.

3. De morele wet verplicht voor altijd tot gehoorzaamheid, zowel gerechtvaardigden als anderen.

20

Het evangelie en de omvang van genade

1. Omdat het verbond der werken door de zonde was verbroken en niet in staat was om leven te geven, behaagde het God om de belofte van Christus te geven, het zaad van de vrouw, als het middel om de uitverkorenen tot zaligheid te roepen.

2. Deze belofte werd na de val steeds voller geopenbaard, totdat de volle ontdekking ervan werd voltooid in het Nieuwe Testament.

3. De openbaring van het evangelie aan zondaars is naar de vrijmacht van God, niet vanwege enige belofte van natuurlijk licht.

21

Christelijke vrijheid en gewetensvrijheid

1. De vrijheid die Christus gekocht heeft voor de gelovigen onder het evangelie bestaat in hun bevrijding van de schuld der zonde, de verdoemende toorn van God, en de strengheid en vloek der wet.

2. God alleen is Heere van het geweten, en heeft het vrij gelaten van de leerstellingen en geboden van mensen die in enigerlei opzicht strijdig zijn met Zijn Woord.

22

De godsdienstige eredienst en de sabbat

1. Het licht der natuur toont dat er een God is, die heerschappij heeft over alle dingen, en dat Hij daarom gevreesd, bemind en geloofd moet worden.

2. De godsdienstige eredienst moet aan God worden gebracht: Vader, Zoon en Heilige Geest, en aan Hem alleen.

3. Het lezen van de Schriften, prediking, zang, gebed en de sacramenten zijn alle delen van de gewone godsdienstige eredienst.

23

Wettige eden en geloften

1. Een wettige eed is een deel van de godsdienstige eredienst, waarbij de persoon die zweert God plechtig tot getuige roept van wat hij verklaart of belooft.

2. Alleen bij de naam van God moet gezworen worden, en met alle heilige vrees en eerbied.

24

De burgerlijke overheid

1. God, de hoogste Heere en Koning van de hele wereld, heeft burgerlijke overheden aangesteld om onder Hem over mensen te zijn, tot Zijn eigen heerlijkheid en het algemeen welzijn.

2. Christenen mogen wettig een overheidsambt bekleden, en daarin de macht van het zwaard uitoefenen.

3. Het is de plicht van onderdanen om voor overheden te bidden, hen eer te bewijzen en belastingen te betalen.

25

Het huwelijk

1. Het huwelijk moet zijn tussen één man en één vrouw; het is niet geoorloofd voor enig man om meer dan één vrouw te hebben, noch voor enige vrouw om meer dan één man te hebben, op hetzelfde moment.

2. Het huwelijk werd ingesteld tot de onderlinge hulp van man en vrouw, tot de vermeerdering van het menselijk geslacht door wettige nakomelingschap, en ter voorkoming van onreinheid.

26

De gemeente

1. De universele gemeente, die ook de onzichtbare gemeente kan worden genoemd, bestaat uit het volle getal van de uitverkorenen die verenigd zijn geweest, nu zijn of nog zullen worden onder Christus, haar Hoofd.

2. Alle personen in de hele wereld die het geloof van het evangelie belijden en gehoorzaamheid aan Christus bewijzen, en die niet door hun leer of leven deze belijdenis vernietigen, zijn en kunnen terecht plaatselijke zichtbare gemeenten worden genoemd.

3. De zuiverste gemeenten onder de hemel zijn onderworpen aan menging en dwaling; en sommige zijn zo gedegenereerd dat zij synagogen van satan zijn geworden.

27

De gemeenschap der heiligen

1. Alle heiligen die door de Heilige Geest met Christus hun Hoofd zijn verenigd, hebben gemeenschap met Hem in Zijn genade, lijden, dood, opstanding en heerlijkheid.

2. Heiligen zijn verplicht om door hun belijdenis de gemeenschap in de eredienst van God te onderhouden.

28

De doop en het avondmaal

1. De doop en het avondmaal zijn inzettingen van positief en soeverein gezag, door de Heere Jezus ingesteld in het evangelie.

2. Deze inzettingen moeten alleen door hen worden bediend die daartoe naar het Woord zijn geroepen en bekwaam zijn.

29

De doop

1. De doop is een instelling van het Nieuwe Testament, door Jezus Christus ingesteld, om voor de gedoopte een teken te zijn van zijn gemeenschap met Christus in Zijn dood en opstanding, en van overgave aan Hem.

2. Zij die daadwerkelijk bekering tot God en geloof in en gehoorzaamheid aan onze Heere Jezus Christus belijden, zijn de enige gepaste onderwerpen van deze instelling.

3. De uiterlijke wijze van deze instelling is onderdompeling van de persoon in water, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

30

Het avondmaal des Heeren

1. Het avondmaal werd door de Heere Jezus in de nacht waarin Hij werd verraden ingesteld, om tot aan het einde der wereld te worden gevierd, tot gedachtenis van Zijn offerande.

2. In deze instelling wordt Christus niet geofferd aan Zijn Vader, noch wordt er enig werkelijk offer voor vergeving van zonden gebracht.

3. De uiterlijke elementen in dit sacrament, behoorlijk afgezonderd voor het gebruik dat Christus heeft ingesteld, worden zo met de gekruisigde Christus in verband gebracht, dat zij soms naar de namen van de dingen die zij vertegenwoordigen worden genoemd.

31

De staat van de mens na de dood en de opstanding

1. De lichamen van mensen keren na de dood terug tot stof en zien de verderfenis; maar hun zielen, die noch sterven noch slapen, hebben een onsterfelijk bestaan, en keren onmiddellijk terug tot God die ze gaf.

2. Op de laatste dag zullen zij die levend worden bevonden niet sterven, maar veranderd worden; en alle doden zullen opgewekt worden met hun eigen lichamen.

32

Het laatste oordeel

1. God heeft een dag bestemd waarop Hij de wereld in gerechtigheid zal oordelen door Jezus Christus, aan wie alle macht en oordeel is gegeven door de Vader.

2. Het doel van God met het bestemmen van deze dag is de openbaring van de heerlijkheid van Zijn barmhartigheid in de eeuwige zaligheid van de uitverkorenen, en van Zijn gerechtigheid in de verdoemenis van de verworpenen.

Opmerking

Deze samenvatting bevat de kernpunten van elk hoofdstuk. Voor de volledige tekst met alle paragrafen en Schriftverwijzingen, raadpleeg een van de bronnen in de zijbalk.